|

De BLAUWGRIJZE DOORNHAAI (Squalus acanthias) dankt zijn naam aan de stekels, een voor elke rugvin. Ze staan in verbinding met gifklieren. Andere kenmerken zijn de lange, spitse snuit, de bolle ogen en de krachtige staartvin, waarvan de bovenste lob groter is dan de onderste. De rug en de flanken zijn donkergrijs tot bruinachtig en de buik is licht. Aan de zijkanten zitten een paar lichte vlekken. Dit is de meestal gemene haai in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan. Doornhaaien vormengroepen die niet ver van de bodem of tussen twee waterlagen in leven, op 10- 200 meter diepte. 's Nachts komen ze aan de oppervlakte. In de lente komen ze dichter bij de kust om zich te vermenigvuldigen en inde herfst trekken ze weer naar volle zee. Een groep bestaat meestal uit leden van hetzelfde geslacht. De doornhaai eet voornamelijk vissoorten die in scholen leven. Deze haai is ovovivipaar; na een dracht van 18 - 22 maanden brengt het vrouwtje een tiental jongen ter wereld. Bij de geboorte zijn de jongen 20 - 30 cm lang. Vroeger probeerde men de doornhaai uit te roeien omdat hij zich vergreep aan vissen die in een net gevangen zatten. Daarbij bracht hij niet alleen schade aan de vangst toe, maar ook het materiaal. Later ontdekte men dat de lever van deze haai, die 20% van het lichaamsgewicht uitmaakt, heel goede traan bevat en men ging erop vissen. Tegenwoordig wordt het grootste deel van de gevangen doornhaai tot vismeel verwerkt. Het vlees is vrij goed en wordt ook wel op de markt verkocht. Lengte: 80 - 100 cm, bij uitzondering 120 cm (vrouwtjes). Gewicht: 5 - 8 kg, max. 10 kg.

|