|
De BLAUWE HAAI (Carcharhinus glauca) heeft een slank, krachtig lijf met lange, gebogen buikvinnen.
Aan de rugzijde is hij donkerblauw en aan de zijkant iets lichter.
Ook de vinnen zijn blauwig, de buik is wit.
Sterft de haai, dan verliest hij snel zijn mooie blauwe tint.
De blauwe haai komt over de hele wereld in warme zeeen voor.
's Zomers wordt hij tot in Scandinavie aangetroffen.
Het is een middelgrote soort.
De dooierzakjes van de embryo's zijn door een 'dooierplacenta' verbonden met de baarmoederwand.
Op deze manier worden ze van voedsel voorzien.
Bij de geboorte zijn de jongen 30 - 50 cm lang.
De blauwe haai zwemt meestal vlak onder het oppervlak.
In de zomer onderneemt hij lange zwerftochten, waarop hij vaak vergezeld wordt door het loodsmannetje (Naucrates ductor).
Hoe lang de reis wordt, hangt af van de temperatuur van het water.
In jaren waarin de zon veel schijnt, dringt de blauwe haai tot in de Noordzeedoor.
Vaak zwemt hij achter vissersschepen aan en voedt zich dan met het visafval dat overboord gezet wordt.
Zelf maakt hij ook jacht op vis en op een aantal soorten haaien.
Voor de beroepsvissers is de blauwe haai niet van belang.
Sinds jaar en dag wordt de blauwe haai als een gevaar voor de mens gezien, waarschijnlijk ten onrechte.
Lengte: tot 4 m.
Gewicht: tot 150 kg.
VERSPREIDING
|