|
De BOT (Pleuronectus flesus) is nauw verwant aan de P. platessa, waarop hij zowel in vorm als kleurveel lijkt.
Hij heeft echter geen benige knobbeltjes op de kop, zoals de schol.
Verder zit er langs de onderrand van de rugvin en de anale vin een rij scherpe tandjes, die bij de schol ontbreekt.
Beide zijden van het lijf zijn bedekt met schubben, die diep in de huid liggen.
Op de bovenkant van de kop zitten een paar benige plaatjes.
Zulke schildjes bevinden zich ook aan weerszijden van de zijlijn, die middenover de flank loopt.
De plaatsing van de ogen is bij deze soort wisselend: over het algemeen liggen ze op de rechterzijde, maar er zijn veel uitzonderingen op deze regel; naar het noorden toe steeds meer.
In de Zwarte zee en in de zee van Azov is 20 % van de gevangen exemplaren 'links' en in de Barentszzee 40 - 50 %.
De bot leeft op zand of klei, van de branding tot op 60 meter diepte.
Hij is vooral 's nachts actief.
Grote exemplaren brengen de dag op de bodem door, met zand bedekt.
In de kuststrook komt de bot met vloed dichter naar het strand om voedsel te zoeken en laat hij zich met eb naar diepere wateren terugvoeren.
De paaitijd is van januari tot juni en soms paaien de vissen ook wel in andere maanden.
De paaigronden deelt de bot vaak met de schol: er verschijnen bastaardvormen (hybriden) met een mengeling van kenmerken.
Net als bij de meeste andere schollen, drijven de eitjes, de larven en de pootvissen in het water.
De bot is plaatselijk van belang voor de visserij: in de Oostzee bijvoorbeeld, waar er meer op gevist wordt dan op welke andere verwante soort ook.
Lengte: 25 - 35 cm, max. 50 cm.
Gewicht: ½ - 2 kg, max. 3 kg.
VERSPREIDING
|