|
donderdag 02 maart 2006 |
|

De borstvinnen van de GRAUWE POON (Trigla gurnardus) reiken nooit tot de aanzet van de tweede rugvin. Kenmerkend voor deze vis zijn ook de ruwe schubben op de zijlijn, deze schubben hebben benige uitsteekseltjes, die een zilveren schittering veroorzaken. Op de rug zitten wittige vlekken. Verder wisselt de kleur, maar de tint grijsgroen overheerst, de buik is lichter. De grauwe poon houdt zich bij voorkeur op in ondiep water met een zandbodem, maar beweegt zich vrijelijk tot op 150 meter diepte. In de lente komt hij naar de kust en in de nazomer verwijdert hij zich er weer van. De mannetjes worden geslachtsrijp op hun derde, wanneer ze circa 18 cm langzijn en de vrouwtjes op hun vierde, bij een lengte van circa 24 cm. Evenals bij de andere ponen duurt de paaitijd de hele zomer; de kuit wordt in een aantalmalen afgezet. In de paaiende scholen zijn de vrouwtjes veel talrijker dan de mannetjes. De eitjes en de larven drijven in het water en de jongen dalen daarna af naar de bodem. Lengte: 25 - 40 cm, bij uitzondering 55 cm. Gewicht: tot 1 kg.
VERSPREIDING
|