De grote PIETERMAN (Trachinus draco) heeft een langwerpig, zijdelings afgeplat lichaam, met twee rugvinnen, waarvan de achterste zeer lang is.
Ook de anale vin is bijzonder lang.
De buikvinnen zijn onder de borstvinnen ingeplant, ter hoogte van de keel.
Het lijf is bedekt met schubben. Een zwemblaas ontbreekt.
Kenmerkend voor deze vis zijn de twee stekeltjes bovenop de kop, voor het oog.
De andere, nog bestaande, soorten van het geslacht Trachinus hebben deze stekeltjes niet.
Een ander onderscheidendkenmerk is het grote aantal dunne donkere strepen, die schuin naar achteren over de flank lopen.
Overdag houdt de grote pieterman zich schuil in het zand van het continentale plat.
Alleen zijn ogen steken er bovenuit.
Na het vallen van de avond komt hij te voorschijn en gaat rondzwemmen in de bovenste waterlagen.
De zomer brengt hij op zandbanken voor de kust door en in de herfst zoekt hij dieper water op, tot op 100 meter wordt hij aangetroffen.
De paaitijd is van juni tot augustus; de eitjes drijven in het water.
De grote pieterman eet visjes, garnalen en andere schaaldiertjes.
Aan de basis van de borstvinnen en de eerste rugvin en op de stekels op de kieuwdeksels zitten gifklieren.
De stof die ze afscheiden werkt in op het bloed en de zenuwen: een steek vaneen pieterman kan allerlei, vaak ernstige, complicaties tot gevolg hebben.
Desondanks wordt de pieterman erg gewaardeerd: hij is prima van smaak.
Uiteraard moet de visser voorzichtig met deze vangst omspringen.
De economische waarde van de grote pieterman is trouwens gering.
Soms wordt deze vis in een aquarium gehouden.
Lengte: 20 - 30 cm, max. 45 cm.
Gewicht: 0,3 - 0,8 kg.
VERSPREIDING